IJsland

Dit verhaal speelt zich af in Ijsland, jaren voordat het overspoeld raakte door toeristen die hun kinderen langs de weg laten poepen, stukjes gletsjer in een koelbox steken en minutenlang in positie staan met een selfiestick wachtend tot de geiser water omhoog zal spuiten. Denk dat allemaal weg. Zie een eiland voor je dat zo woest is dat alleen de buitenste randen leefbaar zijn. Waar heet water onder de aardkorst borrelt, dat door gaten en scheuren omhoog komt en zo honderden warmwaterbronnen maakt. Daar, tussen de hooglanders en heuvelruggen, landt mijn vliegtuig.

Het is uit met de jongen die ik tot voor kort de liefde van mijn leven noemde. Na zeven jaar samen te zijn geweest heeft hij mijn hart vertrapt. Vanaf het eindexamenjaar waren we onafscheidelijk. Bij de meeste stellen dooft het vuur na een paar jaar. Niet bij ons, de seks was continu. Zozeer zelfs dat ik eraan verslaafd raakte, en de liefde niet meer van de lust kon onderscheiden. Nu heb ik besloten een jaar lang geen seks meer te hebben. Alsof ik de reset knop heb ingedrukt, zo zie ik het. Een jaar lang helemaal niks, om alles opnieuw in te zien. Dat is de reden dat ik ervoor koos om naar IJsland te gaan, om elke verleiding te kunnen weerstaan.  Kous , saai, alles binnenshuis, dat leek me de juiste manier om zo’n jaar te beginnen. IJsland staat nu eenmaal bekend om zijn seksuele aantrekkingskracht. Daarbij hou ik toch al niet van de zomer, wanneer mijn kleren aan mijn lijk plakken, alles altijd een beetje dampig aanvoelt en de mensen slippers aantrekken in de stad terwijl er nergens strand in zicht is. De drie weken die ik vrij heb gekregen, ga ik spenderen op een plek waar de zomer niet bij kan. De enige stranden die ze daar hebben zijn zwart, las ik op de site waar ik de reis bestelde. Ik ben opgegroeid in Amersfoort, een stad van gemiddelden. Geen uitschieters als het om armoede of rijkdom gaat, een middelgrote stad, met bescheiden ambitie. Mensen als ik trekken vaak weg als de middelbare school eenmaal klaar is, ik niet, ik bleef. Misschien ben ik de uitzondering van Amersfoort. Sinds vijf jaar werk ik in de beste platenzaak van de stad, ik zeg de beste, maar in feite is het de enige. Daar komen vooral mannen van middelbare leeftijd die hun collectie willen uitbreiden. Ik hou van mijn baan en ik hou van de oude mannen, voor wie ik Pink Floyd opzet als ze de winkel in lopen, maar dit jaar verlang ik meer dan anders naar mijn vakantie. Weg van de jongen, weg van Amersfoort en weg van de verleiding. Ik ga naar IJsland om mijn jaar celibaat in te luiden.

Dit vliegveld ruikt anders dan alle andere vliegvelden, daar hangt altijd een zweem van goedkoop schoonmaakmiddel en half-lauwe voorverpakte broodjes. Hier niet, hier ruikt het zoet en naar verwarming die voor het eerst na een lange zomer weer wordt aangedraaid. Een vreemd gevoel daalt over me neer, alsof ik me thuis voel, ook al ben ik hier nog nooit geweest.  Door het glas van de hal zie ik mensen buiten naar hun auto lopen. Vreemd genoeg lopen ze in T-shirts, een meisje draagt een gele jurk net boven de knie. Is het dan toch zomer hier? De deuren schuiven open, een windvlaag slaat in mijn gezicht, ik trek mijn jas dicht. Het elektronische scherm bevestigd aan een paal net buiten de hal laat de tijd zien n dan verspringt het naar de tempratuur: 14 graden Celsius. De andere  passagiers, met wie ik net in het vliegtuig zat, trekken hun jas uit. Voor IJslanders is dit blijkbaar warm. Een groep jongens met lang haar laden een busje uit, ze zijn groter dan Nederlandse mannen. Hun armen breder, hun ogen intenser en hun voeten reusachtig. Het doet iets met me, ik probeer het te negeren. Bij de parkeerplaats gooit een vrouw met blond opgeschoren haar en een paarse jas het portier van een busje gehaast dicht. Haar pas houdt het midden tussen rennen en lopen, ze glipt me voorbij en doet dan plots een paar stappen terug.
‘Ben jij Eline? vraagt de vrouw in het Engels.
‘Al 26 jaar,’ zeg ik.
De vrouw moet lachen, zij komt me ophalen, zo was het afgesproken met het hotel waar ik verblijf.
‘Je bent de enige,’ zegt ze, ‘sorry, ik was te laat hè?’
Ik schud van nee. Het busje is leeg, ik ga op de voorste bank zitten, maar de vrouw vraagt of ik niet naast haar wil zitten, helemaal voorin. Dat doe ik.
‘Heten veel mensen Eline, waar jij vandaan komt?’ vraagt ze.
‘Ik en twaalf anderen.’
Weer moet ze lachen.
‘Hier in IJsland is het een heel normale naam. De meest gekozen naam voor een meisje vorig jaar.’
‘Ik ben populair hier.’
‘Je naam in elk geval.’

Het hotel ligt net achter de vijver van de binnenstad. Huizen lijken gemaakt van golfplaat en daarna in vrolijke kleuren geschilderd.
‘Hier hebben we geen dikke muren voor isolatie nodig, ons water wordt natuurlijk verwarmd door geisers, onze verwarming staat altijd vol aan, en nog kost het geen enkele energie.’
De manier waarop ze vertelt staat me aan.
Het hotel ruikt hetzelfde als het vliegveld, het gaat weer gepaard met een aangenaam gevoel, alsof ik thuiskom op een plek waar ik nog nooit geweest ben. De vrouw legt een aantal foldertjes voor me neer.
‘Je had aangegeven naar de Blue Lagoon te willen?’
In Nederland had ik al bedacht dat ik daarheen wilde. Die spa stond op alle lijstjes bovenaan, een groot wit meer met helende krachten. Op de foto’s stonden lachende vrouwen met moddermaskers op hun gezicht. Het water leek net warme melk waar stoom af kwam.
‘Heel graag,’ zeg ik.
‘Niet doen.’
Een lage stem klonk vanuit het donker, een stoel kraakte.
‘Let niet op hem,’ zei de vrouw, ‘hij is de neef van de eigenaar.’
‘Niet doen,’ herhaalde de stem.
Hij verschijnt in het licht boven de balie, zijn hoofd raakt bijna het plafond zo lang is hij. Met een hand veegt hij zijn haar uit zijn gezicht, zijn ogen liggen diep in hun kassen, zijn lippen zijn vol, zijn wenkbrauwen ruig, alles aan hem is groot. Alsof hij net wat langer is doorgegroeid dan de rest van de wereldbevolking.
‘Waarom niet?’ vraag ik.
‘Negeer hem nou maar, als jij naar hem gaat luisteren, gebeurt er niets. Morgen om 10 uur zou ik je kunnen brengen?’
‘Wat is er mis met de Blue Lagoon?’
‘Alles, van het water tot de modder.’
‘Ga terug in je stoel,’ gebiedt de vrouw, ‘ ga maar weer staren.’
‘Een natuurlijke bron, dat is waar ze mee adverteren. Is het niet?’
De man kijkt mij aan, zijn hand in de lucht, palm naar de hemel.
‘Ik denk het.’
‘Dat is zo. Ze brengen ze het. Het water heeft die witte kleur door het het chemische afval van de fabriek en paar honderd meter verderop, zij lozen wat ze niet kwijt kunnen. En dat is wat ze de Blue Lagoon noemen, een speelparadijs voor genetisch afwijkende kinderen. Als je je DNA voorgoed wilt laten veranderen, ga vooral, maar jij lijkt me iemand die zijn genen wil behouden.’
De vrouw kijkt beteuterd, het is niet de eerste keer dat de neef iets voor klanten verpest.
‘Nu durft ze niet meer,’ zegt ze.
Misschien om me zo ver te krijgen om alsnog te gaan, maar de neef heeft wel zijn wel werk al gedaan.
‘Waar moet ik dan heen?’
De neef zet een stap dichterbij.
‘Gewoon naar de Blue Lagoon,’ zegt de vrouw, voordat de neef iets kan zeggen, ‘het water is niet op een natuurlijke wijze wit, nee, klopt, maar dat gedoe over DNA, daar klopt helemaal niets…’
‘Onzin’
De neef is terug in de stoel gaan zitten. De vrouw draait zich naar hem toe en praat IJslands tegen hem op een andere toon, geagiteerd. Ik weet mezelf geen houding te geven. Hij herhaalt steeds een woord, slcemt, en staat dan op.
‘Ik laat je zien waar je heen moet. Geen Blue Lagoon, geen giftige wateren, geen badhanddoeken en dure crèmes. De plek waar geen andere mensen van het vasteland komen, daar gaan we heen.’
De vrouw schudt haar hoofd.
‘Misschien heeft ze daar wel helemaal geen zin in, laat je niet inpakken, hoor, als jij naar de Blue Lagoon wil, dan doe je dat.’
Nu kijkt de neef haar bevreemd aan.
‘Je wil dat ik je gasten niet afschrik, nu bied ik iets aan dat vele malen beter is dan wat jij ze voorschotelt en is het weer niet goed.’
De vrouw gooit haar handen in de lucht, zegt niets en buigt naar de computer.
‘Als je wil, kan ik je morgen meenemen,’ zegt de neef.
‘Is goed,’ ik wilde dat ik iets leukers wist te zeggen.
De neef maakt een instemmend geluid.
‘8 uur goed?
Ik knik.
Hij zakt weg in zijn stoel, terwijl ik wegloop, roept hij me na.
‘Slaap met je raam open en de verwarming hoog.’
Ik heb sterk de aandrang alles te doen wat hij zegt, waarom weet ik niet, misschien komt het door zijn ogen die overtuigender kijken dan die van anderen. Ik durf niets meer terug te zeggen. In mijn kamer doe ik wat hij beval. De koude lucht blaast over mijn gezicht, mijn lichaam voelt warm onder de wollen dekens en de radiator loeit.

Om 8 uur sta ik klaar in afritsbroek en met bergschoenen. De neef zit weer in zijn stoel, hij bekijkt me van top tot teen en moet dan een lach wegslikken. Hij draagt een zwarte spijkerbroek, een wit shirt met gympen.
‘Wat?’ vraag ik, ook al vermoed ik waarom hij zichzelf moet inhouden niet te gniffelen.
‘Niks, helemaal niks.’
De Renault is geel, in de hoekje van het portier is het aan het roesten. De neef stapt in, ik volg.
‘Goed geslapen?’
‘Heel goed. Al voelde ik me schuldig.’
‘Waarom?’
‘De verwarming was zo heet dat ik hem niet aan kon raken.
Omdat het raam open stond, moest dat wel.’
‘Wat is daar erg aan?’
‘Voor het milieu. Toch, dat is toch erg.’
‘Niet in IJsland. Het water kookt al voordat het uit de grond wordt opgepompt. Daarom slaapt elke IJslander zo. Met de wind in de wangen en de voeten onder de wol. Vanavond weer doen, maar nu zonder schuldgevoel.’
Terwijl we de stad uit rijden, besef ik pas echt dat ik geen idee heb waar we heen gaan. Ik ga het niet vragen, en ik ga ook niet bij mezelf te rade of ik deze man wel kan vertrouwen, ik laat het gaan. Dat is het moment waarop ik voor het eerst aan mijn verbond denk. Ik had alleen maar kakikleurige kleding mee en voor het eerst in mijn leven geen make-up, omdat het toch  uitgesloten zou zijn dat ik met iemand het bed in zou duiken. Als ik een jurkje had, kon ik nu mijn benen over elkaar slaan.
‘Jij ziet eruit alsof je op alles voorbereid bent,’ zegt hij als we de enige snelweg van IJsland op rijden.
Ik kijk naar de veters van mijn bergschoenen die dubbel vastgeknoopt zijn.
‘Ja, daar lijkt het zo wel op.’
‘Is dat niet zo?’
‘Ik heb geen idee waar we heen gaan, vertel het me ook maar niet, dat verpest het, en ik heb geen idee wie jij bent. Sommige mensen zouden juist zeggen dat je niet slechter voorbereid kan zijn.’
‘Voorbereid op het onvoorspelbare. Dat ben jij.’
Als de neef het zegt geloof ik het.
Bij een splitsing slaat hij af, voor ons ligt een berg, tussen de groeven en spleten door stroomt een rivier.
‘Vanaf hier moeten we lopen, voor jou geen probleem, niet?’
Ik spring met mijn schoenen in een plas om mijn antwoord te illustreren. Hij lacht en veegt zijn haar weer uit zijn gezicht. Een beweging waar ik sinds gisteren op heb gewacht, het is de nonchalance die iets met me doet. Ik moet mijn best doen om bij te houden, zijn stappen zijn bijna tweemaal zo groot als de mijne. Moeiteloos stijgt hij het kronkelende pad op. In de wijde omgeving zie ik niets of niemand. Alleen zijn gele auto onder aan de weg, verder niets dat me herinnert aan de stad. Hier zijn alleen bergen, water en mos. Uit een gat in de rots spuit een waterval, slordig proest het een fontein naar buiten. De neef lijkt er niet van onder de indruk, dus doe ik alsof dat voor mij ook zo is. In de verte hoor ik iets borrelen, tussen het mos lijkt een plas te liggen. De neef loopt voorbij een ronde poel met helder blauw water, dat vrolijk borrelt. Ik doe een paar stappen dichterbij.
‘Niet doen,’ zegt de neef, die alles toch in de gaten lijkt te houden, ‘het kookt,’
Ik had er niet bij stil gestaan dat ook water dat in de bergen borrelt, dat alleen doet wanneer het kookt. Grote bellen ontploffen aan het wateroppervlak en laten een walmende damp achter. De geur van zwavel dringt in mijn neus. De neef loopt door, ik krijg het heet. Misschien van het water, misschien van zijn passen. Die zijn zo groot en zelfverzekerd, terwijl ik telkens moet kijken waar ik mijn voeten plaats om niet uit te glijden. De neef kent de rotsen en het mos, dit is zijn land. Ik kan de top van de berg zien, het pad kronkelt om het hoogste punt heen en verdwijnt aan de achterzijde.
‘Kom,’ zegt de neef.
Hij gebaart me, en zet dan een sprint naar de top in. Terwijl hij met passen van een reus, waar elke hardloper jaloers van zou worden, naar boven rent, steekt hij zijn hand uit naar mij. Ik doe mijn best om hem bij te houden, maar dat is onbegonnen werk. De stenen schieten onder mijn voeten vandaan, de zwavelgeur wordt steeds penetranter. Ik grijp naar de hand van de neef die bovenop de berg staat. Met een stevige greep trekt hij me de laatste meters omhoog. De kant die tot nu toe zichtbaar was, sterkt zich voor ons uit. Een rivier slalomt door het zwarte stenenlandschap heen.
Walmen damp van heet water stijgen op, de rivier lijkt in de fik te staan, zoveel rook komt ervan af.
‘Nu hoeven we alleen nog een plekje te vinden met de juiste tempratuur.’
De neef laat mijn hand niet los als we het pad naar beneden aflopen. Het is me nog niet helemaal duidelijk, maar het lijkt erop dat we zo in deze beek gaan zitten. Zwemmen kan niet, daarvoor is het te smal, de rotsen te schots en scheef en het mos glibberig.
‘Hou me vast,’ gebiedt de neef.
Voorzichtig leidt hij me over de stenen naar de stroom toe. Het klotsende water klinkt steeds luider, en maakt dat ik mijn eigen gedachten niet meer kan volgen. Ik heb alleen nog oog voor zijn armen en de spieren die zich aanspannen. Zijn hand omsluit de mijne stevig, zelfs als ik zou uitglijden over het mos, zou hij me met een ruk in de lucht trekken, zonder een schrammetje op te lopen. Ik wil me tegen hem aanvlijen, me om zijn schouder wikkelen en nooit meer van hem weg. Als een spijker die niet door het hout heen wil, prikt de belofte om een jaar lang celibatair te leven, tegen mijn hersens. Ik hou me stijf, laat het wassende water mijn oren vullen, en negeer de afspraak. Dit mag niet, denk ik, voordat ik mijn schoenen uittrek en een blote voet in het water laat zakken.
‘Hoe voelt het?’
Het water is net iets warmer dan comfortabel, net.
‘Perfect,’ zeg ik, en laat mijn voeten zakken.
Een stroom vormt zich om mijn onderbeen, ik stroop mijn broek op en stap ook met mijn andere voet in de beek. De neef staat nog aan de wal, hij trekt zijn shirt uit. Ik dacht altijd dat spieren me niets deden, misschien komt het omdat de spieren die ik tot nu toe heb gezien, zijn gevormd in de Nederlandse sportscholen, met zorgvuldig gekozen gewichten en juist afgemeten oefeningen. De spieren van de neef zijn gevormd door de natuur, door stenen te verslepen, door te jagen op rendieren en door de meisjes op de top van de berg tillen. Deze spieren zijn echt, zoals je het verschil kunt zien tussen zonnebankbruin en gebronsd door de zon. De nerf in zijn rug ligt diep tussen de schouderbladen en eindigt net boven zijn spijkerbroek. Ik voel me plomp in mijn opgerolde afritsbroek en gemakkelijke trui.
‘Is het goed als ik dit ook uittrek?’
Hij wijst naar zijn boxershort. Het is de manier waarop hij het vraagt, het voelt niet seksueel. Alsof het de normaalste zaak in de wereld is om naakt te zijn een meisje dat je een dag geleden ontmoet hebt. Ik hou hem niet tegen als hij zich helemaal uitkleedt en zijn kleren netjes opvouwt en op een stapeltje op zijn schoenen balanceert. Ik probeer mijn ogen op ooghoogte te houden maar ik wil niets liever dan afglijden naar beneden. Hij zet een stap in de beek, naast me. Zijn benen immens, hij hoeft geen moeite te houden om zijn evenwicht te houden. Hij is een boom, een boom waar ik in wil klimmen. De wind blaast langs mijn gezicht, mijn voeten worden heerlijk warm. De wind blaast langs mijn gezicht, mijn voeten worden heerlijke warm. Ik moet uitblazen om niet verhit te raken, of misschien komt dat door het blote lichaam van de neef. Hij steekt opnieuw zijn ghand naar me uit.
‘Loop met me.’
Uit elke zin die hij uitspreekt, straalt vertrouwen. De neef weet hoe het moet, en ik geloof hem. Met zijn stronken van benen baant hij een weg door de rivier, ik glij over de algen op de bodem, maar voel me stabiel in zijn grip. Nu hij mijn blik niet kan volgen, kijk ik naar zijn billen, ook gespierd en bol. Ik stel me voor dat ik ooit mijn gezicht daarop mag laten rusten, zacht als kadetjes, terwijl ik de geul in zijn rug met mijn vinger volg. Dan glijdt mijn voet weg, ik voel me vallen, het water komt op me af, mijn scheenbeen gevaarlijk dicht bij een uitstekende rots. Zijn grip verstevigt, hij draait zijn borst naar me toe en laat zich met me mee vallen. Met zijn andere hand duwt hij zich aan de wal, ik land bovenop hem. Hij ligt volledig in het water, ik op hem. Hij heeft mijn val gebroken, is in een splitseconde onder me gedoken, zodat zijn lijf de klap op kin vangen. Water spoelt over mijn kleding. Ik voel me licht en klein bovenop hem, mijn schouders de helft zo breed als de zijne. Zijn nek ruikt naar kaneel en houtvuur, ik wil mijn neus erin begraven.
‘Ben je oké?’ vraagt hij.
Zijn lichaam wil zich van me vandaan schuiven, ik kan niet opmaken of het uit beleefdheid is of om daadwerkelijk om onder me vandaan te komen. Zijn ogen zijn felblauw, al is zijn haar donkerbruin. De vormen van zijn gezicht zijn grof, de botten boven zijn ogen steken uit, zijn kaaklijn imposant.
‘Ik voel me ineens heel bloot, ‘ zegt hij.
Dan zoek ik zijn mond op en kus hem. Ook zijn lippen zijn groot, zijn tong raakt de mijne, het proeft ook naar kaneel, alsof hij onderweg aan een fireball heeft gezogen. Mijn kleren plakken aan mijn rug, maar op een goede manier. Warm water spoelt over me heen, afgewisseld door de koude luchtvlagen. De constante verandering maakt me onverschrokken. Ik grijp naar zijn nek, ga met mijn nagels door zijn haren, zijn rug krult ervan. De kus wordt intenser, hij trekt me tegen zich aan, zijn hand voelt enorm op mijn onderrug. Zijn geslacht groeit en drukt zich tegen mijn heup, ik laat mijn hand naar zijn onderbuik glijden. ‘Niet doen,’ zegt hij, met dezelfde overtuiging die ik eerder hoorde toen hij me verbood naar de Blue Lagoon te gaan. Ik kom iets omhoog, hij kijkt me speels aan,
‘Je moet gaan staan,’ zegt hij.
Heel even twijfel ik, hij blijft me strak aankijken, het is zijn overtuiging die maakt dat ik hem gehoorzaam. Voorzichtig duw ik mezelf omhoog, balanceer op twee stenen die niet overgroeid zijn met algen. De neef blijft liggen, zijn naakte lijf onder het stromende water, ik zie slechts  de contouren van wat ik wil zien.
‘Blijf zo staan.’
De zon piercet door de het wolkendek, de rivier slaat tegen mijn scheenbeen op, langs de oever klappen een paar vlinders hevig met hun vleugels. Mijn shirt plakt tegen mijn borsten, mijn tepels drukken zich door de stof heen. Hij bekijkt me, leunt met zijn armen achterover tegen de oeverwal. Ik zie mezelf door zijn ogen. Dan knoop ik mijn broek los, de afritsbroek die me zo handig leek. Mijn onderbroek is wit, te groot en kleeft aan mijn billen omdat die nat zijn, anders was-ie allang van me afgegleden. De neef kijkt hongerig, zegt niets, kijkt naar elk stukje van mij alsof hij een nieuw gebied aan het ontdekken is. De vlinders raken verslingerd in elkaar, wild fladderend vliegen ze langs mijn oor. Ik herinner me dat vlinders maar één doel hebben op de dag dat ze hun cocon ontspringen. Ze moeten een partner vinden om zich voort te planten, in wilde paniek gaan ze op zoek en als het eenmaal gelukt is, sterven ze, de levenstaak is inmiddels volbracht. Ik trek mijn shirt uit en gooi het met mijn broek op het droge. Zijn blik brandt op mijn borsten. Ik wil hem op me voelen, tegen hem aankruipen en zijn geur in mijn neus hebben. De lucht breekt nog meet open, ook al blijft het koel. De vlinders zijn uit mijn blikveld verdwenen, misschien zijn ze gestorven aan de waterkant. Ik rol mijn onderbroek omlaag over mijn billen, dan ineens staat de neef op. Hij trekt me naar zich toe, hij zoent me. Ik sla een been om hem heen, gretig pakt hij me op, ik klem mezelf om zijn middel. Hij is de boom, ik ben het meisje. Mijn onderbuik drukt tegen zijn lid, ik wil hem in me voelen, ik wil in hem opgaan, ik wil mezelf vergeten. De controle over mijn lichaam valt weg, ik zwaai achterover als hij in me schuift. Even vrees ik dat hij te groot voor me zal zijn, net als de rest van zijn lijf. Dan ontspan ik me, mijn armen zweven in de lucht, mijn wervel in een draai, terwijl hij mijn middel stevig omklemt en me voorzichtig steeds dichter naar zich toe trekt. De lucht boven me is dramatisch, de zonnestralen snijden door de wolken en raken de grond, verlichten de bemoste stenen langs de wal. De jongen grijpt mijn vast als hij me stoot. Wij zijn de enige twee mensen op aarde. Ik doe wat ik mezelf verbood, al kan het me niets schelen. Alles wat hiervoor gebeurde, alles wat ik heb gezien, alles wat me maakt tot wie ik ben. Ik vergeet het met elke uithaal meer. Zijn lid glijdt in me, en stoor diep. Mijn benen zitten op slot, ik wil niet meer weg uit deze greep. Alles glimt, wanneer ik mijn blik laat zakken naar onze geslachtsdelen. Voor het eerst in mijn leven wil ik kijken, normaal wendden ik mijn ogen af. Nu niet. Mijn vocht glanst op zijn schacht, ik wil het ervan aflikken en opzuigen, ik wil alles in me. Zijn rug is bezweet, onze lijven glijden over elkaar heen. Als iemand me naar mijn naam zou vragen, zou het me niet lukken er op te komen. De neef laat me los en vangt me direct weer op, ditmaal omklemt hij mijn billen. Zijn duim legt hij ertussen, het topje verdwijnt in mijn anus. Mijn ademhaling versnelt, ik adem uit in zijn oor, lik langs zijn nek. Het zweet proeft zoet. Zijn omklemming trilt, voor het eerst. Hij raakt een plek die ik nog niet kende, terwijl zijn eikel mijn binnenkant ritmisch blijft stoten. Zijn penis vult me, telkens weer. Ik wil dat hij in me komt, zijn zaad moet in mij. Met zijn duim draait hij rondjes in mijn gat, steeds dieper en sneller. Een tinteling neemt de macht over mijn lichaam over. Overmeesterd door en gevoel dat van mijn tenen tot mijn oren schiet en dan weer terug, stort ik over zijn schouders. Zijn lijf schudt woest op zijn plek, op een nanoseconde verschil na komen we tegelijk klaar. De neef brult, een geluid zo dierlijk, dat het me niet zou verbazen als er een rendier nieuwsgierig op af zou komen. Ik hijg over zijn schouders. Voorzichtig zakt hij, met mij in zijn greep, terug de rivier in. Het water spoelt de druppels zweet op mijn rug weg. We zakken weg in de warme stroom, nooit eerder voelde ik me zo high. Met zijn duim haalt hij een lok haar van mijn bezwete voorhoofd en zoent me met natte lippen op mijn wang. Dezelfde zindering schiet weer door mijn lijf.

Drie weken later hengel ik een karper uit een beek in noorden van IJsland. De neef tilt me op, en draait me door de lucht met vis en al. Over een uur vertrekt mijn vlucht naar Schiphol, waar ik de trein naar Amersfoort moet nemen, en dan vanaf het station met de OV-fiets naar huis. De neef rijgt mijn vis aan een spies en hangt hem boven het kampvuur. Ik laat mezelf vallen in het gras en trek de onderbroek onder mijn jurkje uit.





Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven