Afleiding

Ik kijk al weken naar hem, maar het is voor het eerst dat we oogcontact maken, nu we allebei tegelijk naar hetzelfde verlichte knopje op de bedieningspaneel van de lift reiken. Derde verdieping. Ik laat hem de knop indrukken. De liftdeuren sluiten.

Hoewel we op dezelfde verdieping wonen, zijn we elkaar nooit eerder tegengekomen. Onze dagindeling loopt nogal uiteen. Op momenten dat ik een vroege dienst in het ziekenhuis heb, zie ik hem na een nacht doorhalen in zijn appartement binnen strompelen en zijn bed inrollen, terwijl ik net de deur uitloop om aan het werk te gaan. Soms is het net andersom. Als ik thuiskom van een nachtdienst, begint hij zijn dag op de loopband, terwijl ik afgemat nog een uurtje op de bank hang, tot ik de slaap kan vatten. Zo zijn er nog meer tegenstellingen. Hij leidt een druk sociaal leven en heeft vaak en veel vrouwen over de vloer, die meestal ook weer snel uit beeld verdwijnen. Ik ben na een relatie van vijf jaar alweer bijna een jaar single en leef haast selibatair. Waar ik altijd probeer mijn dag te starten met vezels en vitaminen, gaat hij de deur uit met alleen een lading koffie in zijn maag.


Als ik gezond aan het koken ben, met veel verse groente, laat hij pizza’s of andere afhaalmaaltijden aanrukken.
Hij geeft feestjes waarbij zijn flat volloopt met mensen. Ik krijg slechts af en toe bezoek van mijn moeder en een handje vol vrienden, hoewel die contacten meestal ook nog buiten de deur plaatsvinden.
Soms denk ik dat hij iemand zoals ik kan gebruiken in zijn leven. En ik hem. Alsof alles dan in balans zou zijn. Of probeer ik daarmee goed te praten dat ik val op iemand die ik alleen ken omdat ik in zijn flat, die zich aan de overkant van onze binnentuin bevindt, kan kijken? Misschien zoek ik enkel een verklaring voor het feit dat ik me zo tot hem aangetrokken voel dat ik hem met trillende knieën en een droge keel opwacht bij de lift, op die ene dag in de maand waarvan ik heb uitgepuzzeld dat onze roosters gelijklopen. Het enige minpunt is dat ik mijn plan niet verder kan uitgedokterd heb dan tot aan dit moment. En nu de liftdeuren sluiten, heb ik geen idee hoe ik hem in de pakweg twintig seconden die we samen zullen doorbrengen, genoeg kan boeien om er een vervolgafspraak uit te slepen. Dat hij me sinds die vluchtige blik niet meer heeft bekeken, vergroot mijn zelfvertrouwen ook niet echt. Misschien hoopte ik ergens dat hij mij ook al tijden in de gaten houdt. Dat hij net zo geïntrigeerd is door mijn manier van leven als ik door het zijne. Dat hij deze kans met beide handen zou aangrijpen. Nou… niet dus.

Ik slik moet nu iets doen, want binnen ongeveer één tel bereikt deze lift de derde etage en is mijn kans verkeken. Ik open mijn mond om iets te zeggen, wat dan ook, maar mijn hoofd is blanco. Zelfs geen onzinnig woord. Dan schokt de lift zacht en vloek ik inwendig, omdat ik geen idee heb wanneer ik weer zo dicht bij hem zal zijn. Ik kijk naar de deuren die nu zouden moeten openen. In plaats daarvan knippert het licht, en komt de lift tot stilstand. Terwijl we bewegingloos in de lifttunnel blijven hangen, wordt het helemaal donker. Even raak ik mijn oriëntatievermogen kwijt en terwijl ik me vastgrijp aan de leuning die dwars over de spiegel aan de achterwand loopt, bots ik tegen hem aan.
“Gaat het?” vraagt hij.
Zijn stem in het donker overvalt me en maakt dat ik onvast klink als ik antwoord “Ja, niets aan de hand. Ik raakte uit balans.”
“Het is wel erg donker, inderdaad.”
Ik weet niet precies hoe we ons ten opzichte van elkaar bevinden, maar zijn adem strijkt langs mijn gezicht als hij praat. Ik heb me weleens een voorstelling gemaakt van ons samen in het donker. Alle gedachten die ik soms over hem heb, schieten door mijn hoofd en bezorgen me een ietwat ongemakkelijk gevoel. Met mijn andere hand zoek ik de reling, maar in plaats daarvan pak ik zijn pols vast.
“Sorry.”
“Geeft niet.”
Ik neem wat afstand. Ik wil hem niet afschrikken. “Het duurt waarschijnlijk even voor de noodverlichting gaat werken.”
“Het zou fijn zijn als dat even op zou schieten.” Hij beweegt onrustig, waardoor we weer tegen elkaar aan botsen. Ik begin nog erger te trillen, maar hij lijkt het niet eens gemerkt te hebben. “Ik ben niet zo’n fan van kleine ruimtes.”
“En toch neem je de lift?” vraag ik. Ik hoop dat hij het beven van mijn stem niet opmerkt. “Ben je dan zo dapper of gewoon lui?”
Hij lacht, maar het klinkt gespannen. “Allebei waarschijnlijk.”
“Hoe dan ook. Je hoeft je niet schamen. Er zijn heel veel mensen die last hebben van claustrofobie.”
“Zo erg is het ook weer niet,” zegt hij. “Het is geen fobie. Meer een… lichte afkeer. Niet dat ik in paniek raak ofzo.”
Hij schraapt zijn keel en ik hoor dat zijn ademhaling hoog zit, wat je als een voorstadium van paniek zou kunnen bestempelen. “Er moet hier toch ergens een alarmknop zitten?” Met luid gebonk tast hij de zijwand van de lift af.
“Waarschijnlijk werkt die pas als het noodaggregaat in werking is getreden.”
“Dat hoort toch niet zo lang te duren? Hoe lang zitten we al vast”? Tien minuten?”
“Hooguit twee. Weet je… vaak is een nare ervaring de oorzaak van een fobie.”
“Het is geen fobie.” Hij stopt met bonken en zucht.
“Ik heb als kind ooit een paar uur vastgezeten in een bagageliftje, op vakantie. Ik was stiekem weggeglipt om te spelen.
Gek, hoe zijn kwetsbaarheid mij zelfvertrouwen geeft. “Het zal heus geen uren duren voor iemand ontdekt dat deze lift vastzit. En daarbij, je bent nu niet alleen. Eigenlijk had je geen beter gezelschap kunnen treffen. Ik ben arts. Ik ben heel goed in crisissituaties. Je bent volkomen veilig. En weet je wat vooral erg goed schijnt te helpen bij dit soort stress?”
“Nee maar ik hoor het graag.”
“Afleiding.”
“Afleiding? En hoe denk je dat…”

Hij houdt abrupt op met praten als ik mijn handen tegen zijn borstkas leg. Ik verbaas mezelf misschien nog wel meer dan hem, maar ik kan het niet langer onderdrukken. Beschermd door het donker duw ik hem zacht maar vastberaden tegen de liftwand. Ik laat mijn vingers over de stof van zijn overhemd glijden en trek het voorzichtig los uit de band van zijn broek.
Ergens tussen het stilvallen van de lift en dit moment heeft iets in mij de overhand gekregen, wat maakt dat ik nu beheerst de knoopjes van zijn overhemd losmaak. Ik schuif de stof opzij en voel de gladde huid van zijn borst en buik onder mijn handen, en het spoor van kleine haartjes dat van zijn navel in zijn broek verdwijnt.
“M- meen je dit echt?” stamelt hij, als ik zijn broek openmaak tot mijn hand erin past. Bij wijze van antwoord omvatten mijn vingers zijn geslacht dat direct hard wordt in mijn hand. Ik beweeg langzaam op en neer en met een grom laat hij zijn hoofd tegen de achterwand komen. Ik zuig me vast aan zijn nek en neem zijn adamsappel in mijn mond, tot zijn lippen de mijne vinden en zijn de tong de mijne opeist. De jager in hem wordt wakker.

“Jij spoort niet,” zegt hij, terwijl hij me omdraait. Zij hand dwaalt onder mijn jurk, langs mijn dij omhoog. “Geef me meer.” Zijn vingers glijden tussen mijn schaamlippen.
“Alleen… als je iets bij hebt,” antwoord ik, terwijl ik vurig hoop dat het zo is.
“Misschien in mijn portemonnee.”
Heel even laat hij me los. Doe ik dit echt? Dan duwt hij me tegen de achterwand van de lift. Hij worstelt nog een paar tellen met het condoom. Dan tilt hij me op. De lichten beginnen boven ons te knipperen. Niet nu, wacht nog even.
Hij dringt bij me binnen. Het haperende licht onthult flitsen van lust op zijn gezicht. Ik wrijf me tegen zijn schaambeen, vastbesloten om van hem te krijgen wat ik wil voor de liftdeuren weer opengaan. “Sneller,” zeg ik, terwijl hij in me stoot. “Harder, vlug, schiet op…” De lift begint langzaam te zakken, terwijl hij het tempo opvoert. De lichten springen een voor een weer aan. We komen in het souterrain tot stilstand.  De deuren openen terwijl hij klaarkomt. Shit, ik was er bijna. Ik laat mijn benen van hem afglijden.

“Net te vroeg,” zegt hij, terwijl hij zichzelf dichtritst. “Ach, je vergat in ieder geval je liftangst even.”
Ik maak aanstalten om de lift uit te lopen, maar hij laat me niet passeren. Hij duwt me met zachte, maar dwingende hand terug in de liftwand.
“Nu jij nog.” Hij stroopt mijn jurkje op dat ik net weer gefatsoeneerd had.
“Ben je gek? De lift werkt weer…”
“Sttt,” zegt hij en hij gaat dicht tegen me aan staan. Zijn hand glijdt in mijn slipje. Zijn vingers strelen me. De opwinding, amper weggeëbd, vlamt meteen weer op, maar mijn ogen blijven gefixeerd op de liftdeuren. “Ogen dicht,” zegt hij. “Er komt hier niemand.” Ik lijk wel gek, maar ik doe wat hij zegt en een paar seconden lang, terwijl zijn hand ongenadig tussen mijn benen beweegt, vergeet ik waar we zijn. Terwijl mijn orgasme snel maar hevig mijn lichaam inslaat en weer verlaat, drukt hij op het knopje naar de derde verdieping. De lift brengt ons ditmaal zonder haperingen naar de juiste etage. Ik ben de eerste die uitstapt.
“Hé…” zegt hij terwijl ik voor hem uit loop. “Zie ik je nog eens?”
“Wie weet,” antwoord ik. “Kijk vanavond maar eens uit je slaapkamerraam.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven